|
|
|
|
|
|
Leven naar je aard: een filosofie over de menselijke aard (in ontwikkeling)
Ik heb een natuurlijke aard. Mijn aard is wie ik ben, mijn wezen of mijn ziel. De aard van het beestje die bepalend is voor mijn unieke zijn. Een aard die, voor zover ik dat nu weet, wordt bepaald door mijn genen; een unieke code van waaruit ik ben gemaakt. Mijn aard vormt de essentie van mijn mens zijn. De aard is niet maakbaar. Het is het beginpunt van mijn bestaan, waarnaar ik altijd wil terugkeren. Een natuurlijke basistoestand waarin ik mij één voel met mijzelf. Mijn aard huist in heel mijn lichaam en geest. Mijn lichaam en geest zijn één geheel en worden gevormd en gestuurd vanuit die unieke aard. Niets spiritueels of religieus, maar gewoon natuurlijk, al is het niet voor iedereen zo natuurlijk en kent het een lange geschiedenis van ontkenning en afwijzing.
"Degeen die het best de lusten en lasten van dit leven weet te doorstaan
is naar mijn mening degeen die het best is opgevoed" (Rousseau, Emile - 1672) Ik kan mij optimaal ontwikkelen als voldoende in mijn basisbehoeften wordt voorzien. Voldoende voeding; eten en drinken, maar ook het krijgen van liefde, aandacht en aanraking. Basisbehoeften gaan ook over veiligheid en bescherming, een dak boven mijn hoofd een eigen plek. Het worden gedragen en hulp en steun krijgen bij het ontdekken van de wereld. Het krijgen van de kans om mijn eigen krachten te ontdekken en tegelijkertijd mijn grenzen te ervaren en vast te stellen. Vergelijk het met het zaadje van een boom, dat in de kiem alles heeft, maar die vruchtbare grond, water en zonlicht nodig heeft om te kunnen uitgroeien tot een volwaardige boom. In de praktijk krijgt niemand een volledige vervulling van zijn basisbehoeften. Er zijn vele actuele voorbeelden van mensen die honger en dorst lijden en die worden geteisterd door oorlogen en natuurrampen. Ook dichterbij huis in het ’gewone alledaagse leven’ zijn voldoende voorbeelden te bedenken van situaties waarin onvoldoende in de basisbehoeften van kinderen en volwassenen wordt voorzien. Gemis hiervan leidt tot angst, pijn, verdriet of honger. Als ik deze gevoelens te vaak en te veel voel, als ze ondraaglijk worden, of als bepaalde gevoelens en emoties er niet mogen zijn (jongens huilen niet), ga ik deze gevoelens en emoties verstoppen, door mijn lichaam en geest aan te passen. Ik druk mijn gevoel weg door het aannemen van bepaalde lichamelijke houdingen (verstarringen, verkrampingen) of simpelweg door het weg te rationaliseren; ik houd mezelf voor dat iets geen pijn doet of dat ik geen honger heb. Ook al is dit een soms noodzakelijk proces (overlevingsstrategie) en soms van korte duur, vanaf het moment dat ik een deel van mijn mens zijn negeer en verstop, wijk ik van mijn aard, mijn natuurlijke basistoestand af. Ik doe dit dus zelf, onder invloed van mijn omgeving. Het bewustzijn vormt daarbij het leidende principe, zelfs op zeer jonge leeftijd. In die zin is de menselijke geest dus een zeer machtig en gevaarlijk gereedschap, doordat het in staat is lichamelijke sensaties en emoties voor langere tijd, soms een levenlang, te negeren. Op korte termijn heeft dat zeker een functie. Pijn die ik even niet hoef te voelen, honger die ik kan weerstaan of de huilbui die ik voor een later moment bewaar (slik ik in, buikpijn, brok in de keel etc.). Op de lange duur is dat echter in meerdere opzichten funest voor de kwaliteit van mijn leven en daardoor ook voor het leven van de ander. Niet alleen belemmerd het mij in het ongedwongen kunnen toepassen van al mijn gevoelens en emoties, ook veroorzaakt het in toenemende mate kwalen en ziekten in mijn lichaam en geest. "Leven, dat is doen in plaats van ademen;
dat is gebruik maken van onze organen, zintuigen, vermogens, van alles wat we in ons hebben en wat ons doet voelen dat we bestaan." (Rousseau, Emile - 1672) Als ik willekeurig welke gevoelens dan ook (bijvoorbeeld boosheid en verdriet) verstop en de daarbij behorende emoties (bijvoorbeeld schreeuwen en huilen) niet uit, verdwijnen ze niet of lossen niet vanzelf op, maar worden vastgehouden en opgeslagen in mijn lichaam en in mijn geheugen. Het hele lichaam functioneert als een soort ’lichaamsgeheugen’. De niet geuite schreeuw of scheldpartij verstilt als het ware in mijn mond (iets verbijten, tandenknarsend van etc.). Een huilbui die ik wegslik veroorzaakt (bijv.) een brok in mijn keel of het snotteren van mijn neus. Iets ligt als een steen op mijn maag. Mijn handen en voeten jeuken. Uit mijn vel springen enz. De Nederlandse taal zit vol met verwijzingen naar verstilde gevoelens en emoties in het lichaam. Door het vasthouden van deze gevoelens en emoties bouwt het lichaam een extra of een toenemende spier- en zenuwspanning op (verstarring, verkramping). Bij verhoogde inzet van bepaalde spieren en zenuwen leidt dat tot allerlei lichamelijke klachten (bijv. muisarm, rugpijn, stijve nek etc.). Naast opname in het lichaam wordt de beleefde situatie vastgelegd in het autobiografische geheugen (herinneringen in hun context). Het ophalen van deze herinneringen is moeilijk en vereist als het ware een reis van de persoon zelf terug in de tijd. Dit gaat relatief langzaam en kost veel pijn, moeite en inzet. Ook de accuratesse van de herinnering zal in de loop van de tijd afnemen. Niet alleen omdat de details van de ervaring versmelten met andere ervaringen en herinneringen, maar ook omdat bepaalde ervaringen al in een vroegtijdig stadium hebben kunnen plaatsvinden (als foetus, als baby of peuter). Wat overblijft is het gevoel. Het geheugen wordt op meerdere manier extra belast. Er heeft zich namelijk een situatie voorgedaan waarin ik, bewust of onbewust, mijn gevoel en emotie heb uitgeschakeld en verborgen. Deze actie zorgt ervoor dat mijn actieve geheugen deze gevoelens en emoties blijvend moet onderdrukken. Het weer gebruik maken van deze (onderdrukte) gevoelens en emoties in een hedendaagse nieuwe situatie, geeft namelijk tegelijkertijd een blik op de vroegere situatie die ik, vermoedelijk niet ten onrechte, heb onderdrukt. Deze blik op het (pijnlijke) verleden wil ik het liefst zo lang mogelijk voorkomen. Dit heeft als consequentie dat ik niet langer afdoende beschikking heb over deze gevoelens en emoties. Zoals al eerder geschetst verdwijnt misschien de situatie wel, maar de verborgen gevoelens en emoties niet. Ik blijf dus innerlijk (bijv.) boos over een bepaalde gebeurtenis of op een bepaalde persoon. Dit kost energie van mijn geheugen. Ik doe me namelijk anders voor dan ik ben, ik ben namelijk boos, maar dat kan ik niet laten zien en dus doe ik of alles goed is. Als ik op deze wijze mijn geheugen steeds meer belast, heeft ook dat gevolgen voor mijn lichamelijke en geestelijke gezondheid. Ik vergeet bijvoorbeeld belangrijke namen te onthouden, haal ze door elkaar of ben er met mijn hoofd niet helemaal bij (voorstadium van dementie). Hier word ik letterlijk erg moe van (ziekte van pfijfer). Deze ’twee geheugens’, het lichaamsgeheugen en het geheugen in de hersenen, zijn nauw met elkaar verbonden. Dit gezamenlijke geheugen werkt cumulatief in de zin dat onverwerkte gevoelens en emoties zich blijven opstapelen net zo lang totdat deze gevoelens en emoties weer worden ontladen. De al vele malen genoemde boosheid die telkenmaal wordt onderdrukt, neemt zo in omvang toe en zal vroeg of laat leiden tot een enorme, vaak onbegrepen, uitbarsting van woede of geweld. Als klein kind zal ik sneller kunnen ontladen, doordat ik nog dicht bij de eigenlijke bron van het gemis sta. Naarmate de duur en intensiteit van het onderdrukken van mijn gevoelens en emoties toeneemt, wijk ik steeds verder van mijn aard af en handel ik steeds minder vanuit mijn natuurlijke kracht. Lichamelijke en geestelijke klachten zullen daardoor toenemen en vrij onschuldige aandoeningen worden gevolgd door steeds ergere ziekten. Dit kan zelfs leiden tot het veranderen van de genetische code (’epigenetica’), waardoor niet manifeste ziekten alsnog tot uitdrukking kunnen komen. Daarnaast leiden de verstopte gevoelens en emoties tot veel communicatiestoornissen. Aan de hand van het gevoel boosheid zal ik dat uitleggen. Als ik mijn boosheid in een specifieke situatie verstop, betekent dat tegelijkertijd dat mijn algehele vermogen tot boosheid wordt verstopt. Zou ik namelijk in een andere situatie wel boos worden, dan open ik daarmee als het ware een doos van pandora: enerzijds overspoel ik de ander met vorige lagen boosheid (ik reageer buitenproportioneel), anderzijds geef ik mijzelf een blik op een in het verleden gebeurde situatie die ik juist heb willen vermijden. De meest gehanteerde strategie van mensen is ervoor te zorgen niet boos te hoeven worden door conflicten en confrontaties uit de weg te gaan (geen NEE durven zeggen, grenzenloos, vloeibaar) en daarnaast de betreffende gevoelens en emoties verder en dieper te verstoppen. De ander zal hoe dan ook verkeerde signalen ontvangen. Ik word te boos met al het onbegrip van dien of ik word helemaal niet boos en geef daardoor de ander de ruimte over mijn grenzen heen te gaan. Feitelijk ga ik hierdoor een aangepast leven leiden dat niet is gestoeld op mijn werkelijke gevoelens en emoties. Wat ik dacht als overlevingsstrategie te kunnen gebruiken, werkt nu tegen mij en brengt mij steeds verder van mijzelf af. Ik handel niet langer vanuit mijn natuurlijke kracht en kunnen, maar vanuit een aangepast zelf. De aard van de mens zal echter nooit in deze situatie berusten, want ’onnatuurlijk’ (of beter geformuleerd niet goed voor mij), en altijd blijven trekken aan zijn ’ontaarde’ alter ego. Mijn essentie maakt mijn existentie mogelijk, is er onderdeel van. Door te existeren verwezenlijk ik mijn essentie (aldus Jean-Paul Sartre). Hoe meer ik handel naar mijn aard, des te natuurlijker en vanzelfsprekender mijn handelingen zullen zijn. Ik kan mezelf dan authentiek of oprecht noemen. Geaard. Mijn denken en handelen komen overeen met mijn gevoel en intuïtie. Of zoals Socrates het bedoelde: een innerlijke houding waarin gedachte, wil en verlangen één zijn. Ik heb dan niets te verhullen en hoef mezelf niet voor te liegen. Niemand wijkt expres van zijn aard af. Het is een overlevingsmechanisme van de mens. Mogelijk gemaakt door de mogelijkheid te existeren. Of zie het als de keerzijde van de vrije wil. Ontaarding van onze aard. Het is echter nooit te laat om mijn verantwoordelijkheid tegenover mezelf en mijn omgeving te nemen en mijn onwaarachtigheid om te zetten in daden die weer leiden tot wie ik werkelijk ben. Etc. Een leven naar je aard. (in ontwikkeling) NB: De boekjes zijn nog in ontwikkeling en in een lage resolutie weergegeven! Copyright, serie ’Ik ben een mens’, Rob Smeets
|
Meer informatie
Levensfilosofie:
Serie: 'Ik ben een mens':
In wording:
|